Beschrijving
1630/1632, without place, manuscript (Dutch), 3 leaves, in a white wrapper inside a blue folder. This manuscript is from the collection of A. Hielkema (Leeuwarden). He provided the manuscript with a description of the content and a full transcription. This manuscript provides a copy of the verdict (1630) in the case between Robbrecht van Giffen and Christoffel van Lauwick. Included is a copy from the legal index (register van judiciële zaken) of his majesty's council (raad van zijne Hoogheid [Prins Frederik Hendrik]) dated to 10 April 1632.
The description in Dutch by A. Hielkema:
Kopie van het vonnis van het gerecht van Buren, d.d 30 augustus 1630 en een kopie uit het register van judiciële zaken van de raad van zijne Hoogheid [Prins Frederik Hendrik] d.d 10 april 1632.Vonnis van het gerecht van Buren wordt uitgesproken in de zaak tussen Robbrecht van Giffen, gewezen kapitein en sergeant-majoor over het regiment van de overste jonker Herman Frenck ten dienste van de koning van Bohemen [‘Winterkoning’ Frederik V, gehuwd met Elisabeth Stuart] ter ene zijde en jonker Christoffel van Lauwick, drost te Bredevoort als oom en bloedvoogd over de nagelaten kinderen van jonker Herman Frenck ter andere zijde. Christoffel van Lauwick moet aan Robbrecht van Giffen een bedrag van 25258 gulden uitkeren, waarvoor de goederen van de verweerder executabel verklaard worden en waarbij in mindering gebracht kan worden hetgeen behoorlijk bewezen kan worden; aangaande de 4000 gulden, die Herman Frenck eveneens eist verklaart het gerecht zich niet bij machte om hierin te besluiten. Met bepalingen over betaling van kosten.In de uitspraak uit het register van judiciële zaken van de raad van zijn Hoogheid [Prins frederik Hendrik] wordt bepaald dat Christoffel van Lauwick een bedrag van 11508 gulden niet hoeft uit te keren aan Robbrecht van Giffen en over de resterende 13750 gulden en het aandeel in de kosten acht de raad zich niet bij machte om een besluit te kunnen nemen en ordonneert daarom partijen om over zes weken voor de raad te verschijnen om als het mogelijk is partijen bij een te brengen en anders een nadere uitspraak te doen.

